Vanaf 1 januari wil de regering de uitkering van interne meerwaarden belasten alsof het dividenden zijn. Hoewel dat slechts een techniciteit lijkt, zullen veel ondernemers dat rechtstreeks voelen in hun portemonnee. En tegelijkertijd komen er daardoor vraagtekens bij het nut van een holding. Waarover gaat het?

Het is als ondernemer steeds minder evident om op een fiscaal aantrekkelijke manier winsten uit het bedrijf te halen. De wetgever heeft de voorbije jaren echt wel zijn best gedaan om uitkeringen uit de vennootschap fiscaal een flink stuk duurder te maken. Denk maar aan de roerende voorheffing die op korte termijn verdubbelde of de fiscale behandeling van de liquidatiebonus.

De nieuwste maatregel in de rij vormen de zogenaamde interne meerwaarden. Deze techniek bestond erin om de reserves van de werkvennootschap over te hevelen naar het privé-vermogen van de aandeelhouder. Dat gebeurde door de aandelen van de werkvennootschap in te brengen in een bovenliggende holdingvennootschap, de reserves naar de holding te pompen en deze vervolgens uit te betalen aan de privé-persoon. Zolang deze stappen pasten in het normaal beheer van het patrimonium en er niet louter fiscale motieven konden worden aangetoond, liet de fiscus dit ongemoeid en kon de privé-persoon op goedkope wijze de reserves naar zijn privé-vermogen transfereren.

De wetgever wil nu op korte termijn deze techniek een halt toeroepen. Het is de regering immers een doorn in het oog dat interne meerwaarden nu vaak worden gebruikt om de roerende voorheffing op dividenden te ontwijken. Aandeelhouders kunnen immers de interne meerwaarde en de opwaarts gestroomde dividenden vanuit de holding aan zichzelf belastingvrij uitkeren via een kapitaalvermindering.

We nemen het voorbeeld van Jan en Marie. Ze zijn aandeelhouder van de vennootschap ABC.  Deze vennootschap heeft een gestort kapitaal van 62.000 euro en heeft voor 400.000 euro aan belaste reserves.  Als de reserves aan de aandeelhouders worden uitgekeerd onder vorm van dividend betekent dit vanaf 1 januari 2017 een belasting van 30% (roerende voorheffing).  Er blijft dus netto 280.000 euro over.
Het fiscale plaatje ziet er een stuk gunstiger uit als er een economische motivatie kan worden gegeven aan het oprichten van een holding en Jan en Marie hun aandelen inbrengen in de holding.  De belaste reserves zouden onder DBI-regime kunnen opstromen naar de holding, wat zou betekenen dat er slechts een belasting van 1,69% (5% aan vennootschapstarief van 33,99% en 95%  vrijstelling) van toepassing zou zijn. Jan en Marie zouden dan na een periode van drie jaar een kapitaalsvermindering kunnen doen en op die wijze aan de hele operatie netto 393.240 euro over houden in plaats van 280.000 euro.

Daar komt nu een einde aan omdat de regering de meerwaarde herkwalificeert als ‘belaste reserve’ en niet als kapitaal. Daardoor moet op elke latere uitkering uit de belaste reserve 30% roerende voorheffing worden betaald, terwijl die dividenden tot dusver vrijgesteld waren van roerende voorheffing. Dit betekent dus dat het niet langer zal mogelijk zijn aan de 30 % roerende voorheffing te ontsnappen. In principe gebeurt dat voor kapitaalverminderingen waarbij de inbrengen gebeurd zijn vanaf 1 januari 2017.

Tot dusver is dat nog niet in een wet gegoten. Tijdens de begrotingsgesprekken van oktober is daarover binnen de regering wel een akkoord bereikt en werden ook de grote lijnen vastgelegd omtrent de precieze verdeling tussen belastingvrij kapitaal en belaste reserves (en dus ook de manier waarop de meerwaarde zal worden berekend). Die principes zullen in een programmawet worden gegoten, die nog voor het jaareinde in het Staatsblad zal verschijnen.

Het strengere standpunt omtrent de interne meerwaarden is echter slechts één aspect van het werken met een holding. Vanuit fiscaal oogpunt maken de nieuwe regels holdings iets minder interessant. Maar dit strenger fiscaal standpunt mag er niet toe leiden dat ondernemers ineens denken dat holdings niet langer nuttig zijn. In tal van scenario’s blijft de holdingstructuur een interessante piste, zolang men zich aan de regels houdt. Bijvoorbeeld in het kader van een (familiale) overdracht van een onderneming. Of bij een herstructurering waarbij twee ondernemingen samengaan zonder te fuseren. Of om het controlebehoud binnen de familie te garanderen.

Inbrengen van voor 31 december 2016 vallen nog altijd onder de oude regeling. Daarvoor verandert er dus niets. Wel is de kans reëel dat die transacties worden gecontroleerd in het kader van de algemene antimisbruikbepaling. Als de fiscus oordeelt dat achter de transactie louter fiscale motieven schuilgaan, kan er toch nog belasting worden geheven. Dat zal beoordeeld worden op moment van de kapitaalvermindering.

Opnieuw merken we een verstrakking van een fiscaal standpunt. Voor ondernemers is het steeds meer aangewezen zich goed te laten bijstaan en begeleiden opdat er geen onaangename verrassingen zich kunnen voordoen. Mits een vooruitziende planning hoeft dit geen probleem te worden.

rm en js